Eiwitgewassen hebben geen stikstofbemesting nodig door de samenwerking die ze aangaan met Rhizobium-bacteriën. In geval van niet-inheemse planten betekent dit dat de noodzakelijke bacteriestam doorgaans niet aanwezig is in de bodem en bijgevolg aangebracht dient te worden. Doorgaans wordt het zaaizaad geïnoculeerd met die bacterie om met zekerheid de samenwerking te bekomen.
Ondertussen zijn er naast die soortspecifieke inoculi eveneens verschillende commercieel beschikbare biostimulanten, die via niet-specifieke stikstof-fixerende bacteriën stikstof ter beschikking kunnen stellen van de plant.
Het doel is om via praktijkproeven met twee niet-inheemse eiwitgewassen, kikkererwten en soja, de meerwaarde van beschikbare twee commerciële biostimulanten te beproeven en het effect ervan op opbrengst en kwaliteit te bepalen in vergelijking met onbehandelde en geïnoculeerde zaaizaden. De sojaproeven lagen aan in Herent bij Praktijkpunt Landbouw, de kikkererwtproeven bij Inagro.
Beide proefjaren zijn de velden geteisterd door overvloedige neerslag, wat zich vertaalde in een verminderde opkomst, opbrengst en kwaliteit in het beste geval, in het slechtste geval – kikkererwt in beide proefjaren – kon niets geoogst worden. Zowel in soja als kikkererwt trad nodulatie op niet-geïnoculeerde plots. Mogelijks trad onbedoeld contaminatie op in de zaaitrechter, of migreerden de bacteriën in de bodem door de grote hoeveelheden bodemvocht. Op beide percelen hadden de eiwitgewassen nochtans nog nooit gestaan.
In het laatste proefjaar van de soja was er wel een duidelijk verschil tussen planten met en zonder wortelknobbels. De opbrengst in plots met slecht genoduleerde planten lag de helft lager en het eiwitpercentage daalde met 10%. De aanbeveling om soja en kikkererwten te inoculeren wanneer het gewas nog nooit op het perceel gestaan heeft, blijft daarom overeind. Hoeveel jaren de Rhizobium-bacteriën na het teeltseizoen in de bodem blijven is niet geweten en kan het onderwerp van volgend onderzoek zijn.